Klei

Klei bestaat uit verweerd gesteente en wordt duizenden kilometers door water meegesleurd om daarna in rustig of stilstaand water te bezinken. Tijdens deze lange reis van af het moedergesteente worden grove delen nog eens tot pulver gemalen tussen kiezelstenen soms zelfs via de zee weer naar het vaste land gebracht. Kleideeltjes van verschillende oorsprong voegen zich onderweg bij elkaar al naar gelang fijnheid en gewicht, om tenslotte in volmaakte harmonie te bezinken.

Porseleinklei of kaolien echter, is onvermengd zuiver wit en wordt gedolven rechtstreeks van uit het verweerde moedergesteente. Dit gesteente heeft de zelfde eigenschap als waar andere kleisoorten van af stammen, het verweerd in plaatjes en niet in korrels. Hierdoor is het materiaal in vochtige toestand plastisch en kan er mee gevormd worden. Porseleinklei rechtstreeks van uit de groeve moet nog wel een bewerking ondergaan. Het klontert nog te veel aan elkaar en moet daarom gemalen worden.

Toen ik serieus begon met pottenbakken in Friesland in 1973 wist ik al gauw dat ik niet afhankelijk wilde zijn van in plastic verpakte klei van een fabriek. Ik wilde voor een aantal redenen de klei in zijn natuurlijke staat direct uit de groeve. Dus ben ik op ontdekkingsreis gegaan langs kleigroeven en langs fabrieken die vers gedolven klei in bulk hebben liggen. Maar ook later op mijn reizen langs pottenbakkerijen waar nog traditioneel gewerkt wordt was ik ook altijd nieuwsgierig naar de bron waar de klei gedolven wordt. Op de foto zit ik helemaal onder in een kleiput bij St. Aubin in Belgiƫ. In de streek rond Charleroi was van ouds keramisch industrie gevestigd vanwege de grote hoeveelheid uitstekende klei zowel aardewerk- als steengoedklei. De verschillende soorten klei liggen in lagen, die bij elkaar wel tientallen meters diep zijn. De lagen klei kunnen niet alleen verschillend van kleur zijn maar ook in kwaliteit en vuurvastheid.

Klei zeven. De zeef wordt op twee latjes gezet met daarin de kleipap. Met een plastic lomer wordt nu verticaal over de zeef geschraapt en het gezeefde slib loopt in de opvangbak. Alles wat overblijft wordt weer in een emmer gedaan en met water verdund er wordt nog een keer geroerd en gezeefd en alles wat nu nog overblijft zijn plantenresten en steentjes.

De aankomende generatie maakte al vroeg kennis met de kleibereiding. Er zijn verschillende methoden om de klei slib op te laten stijven, 1 in gipsen bakken, 2 in biscuit schalen, 3 in een raamwerk met doek. Biscuit schalen zijn nuttig voor de laatste fase van het opstijven omdat het materiaal het vocht slechts langzaam doorlaat. Gips laat het water veel sneller door en daarom heel geschikt. Na een korte tijd druppelt het schone water al door de doek heen en bovenop komt ook een laagje water dat er af geheveld kan worden. De klei bezinkt nu langzaam en op een natuurlijke wijze zodat alle deeltjes hun plekje kunnen opzoeken en de plasticiteit optimaal wordt. Het opstijven duurt een aantal weken al naar gelang de luchtvochtigheid. Na het opstijven moet de klei nog gekneed worden, dat kan in eerste instantie met behulp van een machine. Misschien wel de enige machine, die de structuur van de klei niet beschadigd is de strengpers. In een eenvoudige strengpers wordt de klei gekneed en gemengd, bijna op de zelfde manier als het walken met voeten of handen. De strengpers moet uitgerust zijn met een hefboom waarmee je handmatig de klei door de machine duwt.

De laatste bewerking is het walken, maar dan met de handen en niet met voeten. Door het walken wordt de klei homogeen gemaakt, het laatste luchtbelletje verwijderd en de structuur op de juiste manier geordend.